De medische vrijstelling staat ter discussie, omdat de Nederlandse wettelijke regels mogelijk in strijd zijn met de Europese richtlijn.

De gedachte daar achter is, heel kort weergegeven, de volgende: De Europese richtlijn schrijft voor dat bepaalde leveringen en diensten belast of vrijgesteld zijn van omzetbelasting. In alle EU-landen horen dezelfde handelingen, leveringen of diensten te zijn belast of vrijgesteld.

De Nederlandse wet stelt daaraan echter beperkende voorwaarden die te maken hebben met de kwalificatie van de beroepsbeoefenaar. Daarmee ontstaat de situatie dat dezelfde handeling bij de ene beroepbeoefenaar belast wordt en bij een andere beroepsbeoefenaar niet. Dat is ongelijke behandeling en concurrentieverstorend.
Concreet betekent dit dat een vaktherapeut, psychotherapeut of psycholoog met BIG-registratie een vrijstelling van omzetbelasting heeft, terwijl de consulent zonder deze kwalificatie die vrijstelling niet heeft.

De Nederlandse Hoge Raad heeft hierover zogenaamde prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. Daarop is inmiddels een antwoord gegeven. Dat antwoord komt in het kort op het volgende neer.
Wanneer iemand een medische handeling verricht waarvoor hij of zij niet is aangewezen in de Wet BIG, mag hij of zij de vrijstelling toch toepassen als deze medische handeling, gelet op zijn of haar beroepskwalificaties, van gelijkwaardige kwaliteit kan worden geacht als dezelfde medische handeling die wordt verricht door iemand die daarvoor wel is aangewezen in de Wet BIG.
Medische handelingen die kwalitatief gelijk zijn, moeten dus gelijk worden behandeld.

Het is nu de Nederlandse belastingrechter die moet gaan vaststellen of handelingen van bijvoorbeeld een vaktherapeut vergelijkbaar zijn met die van een psychotherapeut of psycholoog.
Wanneer de Nederlandse rechter oordeelt dat er sprake is van kwalitatieve gelijkwaardigheid, dan vallen de beoordeelde handelingen onder de vrijstelling. In beginsel wordt dan niet teruggekomen op oude jaren. In dat geval geldt de vrijstelling pas vanaf het moment van de genoemde uitspraak van het Hof van Justitie.
Toch is er een mogelijkheid om dan met terugwerkende kracht de vrijstelling toe te passen. Daartoe is het nodig dat je iedere keer als je aangifte omzetbelasting doet, direct daartegen pro forma bezwaar aantekent. Je maakt dan als het ware een voorbehoud bij je eigen aangifte gericht op een mogelijk latere gunstige uitspraak van een belastingrechter.
Bezwaar indienen mag uiterlijk zes weken na de betaling op aangifte. Het is aan te bevelen om het bezwaar tegelijk met de aangifte te versturen.
Voor alle duidelijkheid: de aangifte moet gedaan worden op grond van de nu nog geldende regel dat omzetbelasting moet worden afgedragen. Het bezwaarschrift leidt niet tot het niet hoeven betalen.

Klik hier voor een voorbeeld bezwaarschrift.

Zie ook:
http://www.eerstekamer.nl/9324000/d/312/w31206st.pdf  (artikel 11, eerste lid, onderdeel 9, onder 1°)

Besluit van 28 februari 2008, nr CPP2008/78M, stcrt. nr. 50